De Bijstandsrichtlijn (2011/16/EU) van de Europese Unie (EU) verplicht de lidstaten tot samenwerking op het vlak van de uitwisseling van fiscale inlichtingen. De richtlijn laat onder meer toe dat een lidstaat (de verzoeker) informatie opvraagt over een specifieke belastingplichtige bij een andere lidstaat (de aangezochte lidstaat). Het moet gaan om informatie die ‘naar verwachting van belang’ is voor de belastingautoriteiten van de verzoeker.

Op grond van de voormelde richtlijn kunnen de belastingautoriteiten van de aangezochte lidstaat bijvoorbeeld bij een verbonden vennootschap, een financiële instelling, een werkgever, … van die belastingplichtige om informatie verzoeken. Het is de belastingautoriteit van de aangezochte lidstaat die de ingewonnen inlichtingen vervolgens doorstuurt naar zijn evenknie in de verzoekende lidstaat.

Een vraag die zich dan stelt is of die verbonden vennootschap, financiële instelling, werkgever, … de mogelijkheid heeft om door een lokale rechter de wettigheid te laten toetsen van de sanctie die hem werd opgelegd door zijn belastingautoriteit wegens een onvolledig antwoord of om aan de rechter te vragen de sanctie te herzien. Hierbij stelt zich tevens de vraag of een rechtbank in de aangezochte lidstaat de mogelijkheid heeft de fiscale relevantie van de gevraagde inlichtingen te verifiëren.

Deze vragen waren aan de orde in het arrest Berlioz van het Hof van Justitie (16 mei 2017): Berlioz (een Luxemburgse vennootschap) had het verzoek om inlichtingen van de Luxemburgse autoriteiten (op vraag van Frankrijk) gedeeltelijk onbeantwoord gelaten. Berlioz stelde immers dat bepaalde vragen niet relevant waren voor de belastingautoriteiten van de verzoekende lidstaat.

Het antwoord op de vragen is niet evident, omdat als uitgangspunt geldt dat de verzoekende staat een ruime beoordelingsmarge heeft van wat naar verwachting voor hem van fiscaal belang is. Dit verklaart waarom (in dit geval de Luxemburgse) rechter twijfelde of een toets van de fiscale relevantie door hem wel mogelijk was. Vandaar de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Bij de beoordeling hield het Hof rekening met het Handvest van de grondrechten van de EU, en meer in het bijzonder met het recht op een doeltreffende toegang tot een onpartijdige rechter.

Het Hof van Justitie besloot dat een rechter in de aangezochte lidstaat wel degelijk het verwachte (fiscale) belang van de gevraagde inlichtingen mag controleren en dat hij de sanctie kan herzien. De rechter in de aangezochte lidstaat dient zich wel terughoudend op te stellen bij de toetsing van de wettigheid van het verzoek om inlichtingen: de rechter mag enkel nagaan of het belang niet kennelijk ontbreekt.

Hiertoe dient de rechter volgens het Hof toegang te kunnen krijgen tot het verzoek om inlichtingen. De verbonden vennootschap, financiële instelling, werkgever, … daarentegen heeft enkel recht om de identiteit van de belastingplichtige te kennen naar wie het belastingonderzoek wordt gevoerd, alsook het doel waarvoor de informatie wordt opgevraagd. Het Hof benadrukt immers in het belang van het onderzoek het principieel geheime karakter van het verzoek om inlichtingen.

Nut van het arrest: Wie door zijn lokale belastingdiensten verzocht wordt om te antwoorden op een verzoek om inlichtingen afkomstig van een andere lidstaat doet er goed aan de fiscale relevantie van de gevraagde inlichtingen na te gaan. Indien de gevraagde inlichtingen irrelevant zijn voor het belastingonderzoek, heeft een procedure tegen het verzoek om inlichtingen of tegen de opgelegde sanctie kans op slagen. Wat de verwachte fiscale relevantie betreft zal de lokale rechter enkel kunnen nagaan of de gevraagde inlichtingen manifest geen belang hebben voor het belastingonderzoek in de verzoekende lidstaat.